August 2009
Rechts staan zwarte schaapjes, samen met hun lammeren, in de wei. Rustig grazend in de schaduw van de bomen. Uit de zon. Links varen schuitjes, en soms een schip, voorbij. Heftig reflecterend in het spiegelende oppervlak. Op het water. Daartussen rijdt mijn Datsun 100A, wit van buiten en zwart van binnen, traag tussendoor. Langzaam over het hete asfalt. Johnny Cash uit de speakers.

Langzaam ontwaak ik uit mijn droomwereld. Niet letterlijk uiteraard. Anders had ik nu voor een jaar gratis shoarma of de eerste Datsun plezierjacht. Ik kom langzaam terug uit de fantasiewereld die 'a Campingflight to Lowlands Paradise' heet. Vergelijk het met het moment dat je de aankomsthal van Schiphol binnen komt na een warme zomervakantie. Met je korte broek in 18 graden en je schoonmoeder met een ballon waar 'Welkom terug' op staat.
En ik volg de bordjes 'Kampen'. Ze leiden mij maar al te graag tussen de lammetjes en de schuitjes door naar huis. En ik laat me graag leiden. Ik ben een goede volgeling. In eerste plaats al omdat mijn richtingsgevoel een combinatie moet zijn van Bonnie St. Claire na een goede nacht stappen en Katja die-boom-kwam-echt-niet-van-rechts Schuurman. Iemand die vrijdagnacht al moeite heeft om zijn eigen tentje terug te vinden, vindt zeker na drie dagen Lowlands de weg naar huis niet. Ik had maar wat graag de bordjes 'Tent' gevolgd.
Drie dagen duurde mijn campingflight. Vol met buitenlandse artiesten die zo stoned als een parkietje waren en artiesten van eigen bodem met Hollandse nuchterheid. Samen met een stel vijftigers uit je plaat gaan op The Prodigy en chillen met tieners bij De Fakkelbrigade. Hamburgers, falafel en pizza. Sex, drugs and rock 'n roll. Iemand die zijn broek naar beneden trekt en vraagt welk cijfer zijn kont is en een discussie van een uur over de overeenkomsten tussen Snoop Dogg en ballondiertjes.
Het leven is zo fijn als je helemaal niets moet en je wel ziet waar je uitkomt. Het zit zo vol verrassingen als je zomaar eens een tent binnen loopt. Of dat nou op de camping is of op het festivalterrein. Of van mijn part in het echte leven. Je weet niet wie er binnen speelt. Het is zo mooi als alles wel komt. Je broekzak vol muntjes en je verder nergens druk over maken. Dat klinkt zo mooi. En dat is het ook, drie dagen per jaar. De andere 362 dagen van het jaar heb je te maken met verplichtingen. Doorleven zoals op Lowlands is voor slechts enkelen weggelegd.
En ik ga mijn 362 dagen weer in. Mijn Datsun rijdt mij langs de grazende schapen en kabbelende schuitjes weer terug in de realiteit. En het enige dat ik daarvoor hoef te doen is de bordjes 'Kampen' volgen.